Het is bijna niet voor te stellen, maar het is pas vijf, zes weken geleden dat de column werd geschreven die uiteindelijk het startpunt bleek te zijn van een campagne om het gebruik van open standaarden en platformonafhankelijke toegang voor het onderwijs (en de publieke sector) verplicht te stellen. De afgelopen twee weken was het online wat stiller en dat roept dan gelijk vragen op of er nog wel wat gaande is. Het korte antwoord is: ja, er is heel wat gaande maar dat is meer op de achtergrond dan de voorgrond. Het werk op het achtergrond heeft gevolgen voor mijn andere activiteiten zoals voor de websites Beginnen met Ubuntu en Open Trends (vandaar ook een plaatsing op de andere sites).
Opinie: Waarom ons druk maken over rapport Algemene Rekenkamer
Laten we maar beginnen met de brede blik op open standaarden en open source software. Twintig jaar nadat Linus Torvalds zijn hersenspinsel de wijde wereld in stuurde is Linux alomtegenwoordig. Het moderne internet is ondenkbaar zonder de vele machines die Linux draaien. De meeste hotte telefoon van dit moment draait op open source. Wereldwijd zetten bedrijven open source applicaties in voor bedrijfkritische processen. Kortom, het open source ecosysteem is gezond en groeit gestaag door. Behalve op de desktop, maar -optimisten als we zijn- dat is een kwestie van tijd. Waarom ons dan toch druk maken over dat beroerde rapport van de Algemene Rekenkamer?
Je hebt van die mensen die zeggen dat ‘we’ niet tegen ons verlies kunnen, dat ‘we’ bij een meer positieve conclusie de tekortkomingen ook niet hadden benoemd. Die mensen hebben geen kaas gegeten van de open source mentaliteit en hebben waarschijnlijk nog geen vijf minuten een gemiddelde open source mailinglist bekeken. Als ‘we’ in één ding uitblinken is het wel in genadeloze zelfkritiek. Waarom? Omdat we het beginsel van ‘peer review’ in het DNA hebben zitten, ook richting ‘ons ding’. We hebben geen problemen met het rapport van de Rekenkamer omdat de conclusies negatief uitpakken, maar omdat het op fundamentele punten niet deugt. Ik zou het rapport niet willen indienen als afstudeerscriptie, zelfs niet bij InHolland.
Het grote probleem is dat de Algemene Rekenkamer normaliter geen wc-eend instituut is. Bij rapporten van Gartner, Forrester, IDG et cetera zetten we (ik in ieder geval) op voorhand al vraagtekens bij de objectiviteit van het onderzoek, de onderzoeksmethoden en de conclusies. Conclusies die wel erg vaak in de lijn liggen van de opdrachtgever. De Algemene Rekenkamer hoort een onafhankelijk, eerbiedwaardig instituut te zijn, een club die ergens ‘nihil obstat’ op kan knallen en waarvan de rest van de wereld dan denkt ‘okay, serieus nemen’. Zeg maar, een handtekening onder een accountantsverklaring of een digitaal certificaat van een certficeringsautoriteit. De Algemene Rekenkamer is hoog college van staat en dat college gaat met haar lange en eerbiedwaardige geschiedenis en haar volle gewicht achter de conclusie staan dat met open standaarden en open source software geen kosten te besparen zijn. En tikt daarbij de Tweede Kamer ook nog op de vingers met de opmerking dat diezelfde Kamer niet te hoge verwachtingen moet hebben. O ja, als het gaat om de ICT-huishouding van de overheid pretendeerde diezelfde Rekenkamer al eerder dat zij de aangewezen partij was om de overheid te adviseren met hoe het nu echt moet. In het licht van de achtereenvolgende blunders bij de overheid op het gebied van ICT (overigens niet opgespoord door de Algemene Rekenkamer maar door ICT-journalisten met verstand van zaken) een gevaarlijke stellingname, zeker als uit het open standaarden en open source rapport blijkt hoe weinig kaas de Rekenkamer gegeten heeft van de materie.
Dat het rapport troep is belemmert de lobbyisten van de traditionele software-industrie niet om de Algemene Rekenkamer voor hun karretje te spannen, zoals gisteren deskundoloog Victor de Pous nog maar eens liet merken. De grootst mogelijke onzin van deze jurist wordt handig gemengd met verwijzingen naar het ‘nihil obstat’ van de Rekenkamer. Alleen al om die reden ben ik blij met de open brieven van Hans Sleurink en zijn nauwgezette ontrafeling van de fundamentele fouten in het rapport van de Rekenkamer.
Maar misschien verwachten we ook te veel onafhankelijkheid in een wereld die al decennia gewend is aan gesloten software, van mensen die het werken met Windows en Microsoft Office met de zuigfles naar binnen gegoten kregen. We vragen toch ook niet aan een select gezelschap van heroïneverslaafden of zij de kostenbesparingen van alternatieve afkickprogramma’s willen bepalen? Hoeveel zelfkennis en inzicht mag je verwachten van mensen die met trillende handjes het theelepeltje aan het verhitten zijn? Zijn zij in staat een wereld voor te stellen waar ze niet verslaafd zijn? Nee, het moet ons dan niet verbazen dat zij meer waarde hechten aan de ingefluisterde woorden van de huisdealers en in een prachtig rapport de conclusie trekken dat de waarde van clean zijn hooglijk worden overschat en het tijd wordt om het stelen van autoradio’s uit de criminele sfeer te halen.
Wat doen we wel in dit soort gevallen? We pakken de verslaafden op en laten hen voor hun eigen bestwil afkicken, onder begeleiding van mensen die daar wel verstand van hebben. Zo moet het ook gaan als het gaat om de ICT-huishouding van de overheid, te beginnen met het aanpakken van de huisdealers. En het rapport van de Rekenkamer? Daar kunnen we de aansteker van de verslaafde voor gebruiken, zonder enig bezwaar.
Nu de Algemene Rekenkamer de vragen van de Tweede Kamer heeft beantwoord kunnen we de hele episode gaan afronden. Het rapport over mogelijke kostenbesparingen bij de inzet van open source door de overheden heeft een groot aantal tekortkomingen, en de kritiek daarop was niet mals. De Rekenkamer wuift al die kritiek weg onder het mom van: we hadden weinig tijd, onvoldoende bevoegdheid, een falende financiële administratie bij de overheid, maar onze harde conclusies en aanbevelingen zijn prima. Waarmee de reputatie van de Algemene Rekenkamer mijns inziens toch een forse deuk heeft opgelopen. Idealiter verdwijnt het rapport achter een kast, maar helaas worden de conclusies en aanbevelingen door sommigen al misbruikt om hun eigen vage agenda naar voren te schuiven. En daar zullen we de komende jaren (internationaal) nog veel last van hebben. Ergo, we moeten iets doen.
De komende periode wil ik werken aan een stuk waarin alle kritiek op het rapport goed wordt neergezet, inclusief de laatste ronde antwoorden van zowel minister Donner als de Algemene Rekenkamer. Noem het maar ‘De Algemene Rekenkamer debunked’ of zoiets. Dat stuk wordt ook vertaald in het Engels en online geplaatst. Het is de bedoeling dat iedereen die op zoek gaat naar het rapport van de Rekenkamer tevens op een plek alle kritiek op het rapport kan vinden.
Het schrijven van dit stuk (en het vertalen ervan) gaat een stuk sneller als we daar met een aantal mensen aan kunnen werken. Bij deze een concrete oproep. Wie heeft er zin om te helpen alle kritiek ‘in te dikken’ tot een helder stuk? Dan richt ik daarna een online omgeving in om de samenwerking handen en voeten te geven.
Een maand geleden publiceerde de Algemene Rekenkamer het rapport “Open source en open standaarden bij de Rijksoverheid”. De Tweede Kamer wilde graag weten of, en in welke mate, kostenbesparingen waren te realiseren bij de overheden door de inzet van open standaarden en open source software. ‘Ons’ gevoel, dat van de open source wereld, is natuurlijk dat het geld voor het oprapen ligt. Maar ‘s lands rekenmeesters moesten dat ‘even’ vastleggen. Helaas, het liep anders. De Rekenkamer kwam met een rapport over een beperkt aantal overheden (alleen de Rijksoverheid) en voor een beperkt deel van de ICT-kosten. De open source wereld reageerde woest. Het rapport van de Rekenkamer werd compleet gefileerd: de definities deugden niet, de onderbouwing van de niet-aanwezige berekeningen deugde niet, relevante cases waren buiten beschouwing gelaten, de relatie tussen het wel aanwezige materiaal en de conclusies deugde niet. Hans Sleurink leverde de meest fundamentele kritiek op de Rekenkamer die door zich de rol van beleidsbepaler aan te meten ver buiten haar staatsrechterlijke taak was getreden. Minister Donner plaatste kanttekeningen bij de aannames van de Rekenkamer en de conclusies van het rapport. Vandaag, ongeveer een maand later, stuurde de Tweede Kamer een waslijst aan vragen richting de Rekenkamer en het kabinet. Het is duidelijk dat de Tweede Kamer niet blij was met het ongevraagde advies van de Rekenkamer om vooral geen hoge verwachtingen te hebben van de besparingsmogelijkheden door de inzet van open standaarden en open source software.
De Rekenkamer mag zich nu gaan verantwoorden over het proces dat tot het eindrapport heeft geleid. Tja, ik heb de Rekenkamer daarvoor gewaarschuwd, in een mailtje. Transparantie van het proces is voor dit onderwerp minstens zo essentieel als een goed eindrapport. De actie via LinkedIn (het openen van een besloten en gemodereerde discussiegroep), een experiment met sociale media, vond ik ook niet zo geslaagd. De vragen die de Tweede Kamer nu heeft gesteld gaan goeddeels over het proces. In een volgende column wil ik die vragen wat scherper onder de loep nemen, maar voor nu wil ik aangeven dat de Rekenkamer er goed aan doet een paar vragen niet te beantwoorden. Het is fijn dat de Tweede Kamer wil weten hoe de Rekenkamer denkt over het huidige en toekomstige open standaarden en open source beleid, maar het is niet des Rekenkamers daar een oordeel over te hebben.
Nu het rapport van de Algemene Rekenkamer vrijwel zeker in de prullenbak is verdwenen is -wat mij betreft- het belangrijkste succes al geboekt. Het rapport was slecht, zeer slecht, maar het had veel erger gekund. Als de Rekenkamer zich had beperkt tot een doorrekening van de beschikbare cases, aangevuld met een literatuurstudie en opmerkingen over de rammelende ICT-boekhouding van overheid, dan waren we verder van huis geweest. Het eindrapport was dan nietszeggend geweest, met alle ruimte voor alle partijen om de conclusies voor zichzelf te gebruiken. En was het open standaarden en open source beleid morsdood geweest. Het onderwerp had geen prioriteit meer bij de Tweede Kamer en het programmabureau NOiV was al aan het inpakken.
Het beroerde rapport heeft de open source gemeenschap én de Tweede Kamer wakker gemaakt. De Tweede Kamer zet de toekomst van open standaarden en open source weer op de agenda, en dan niet alleen voor het Rijk maar ook voor de decentrale overheden. De open source gemeenschap wil nu een gezamenlijke visie neerzetten op open standaarden en open source in Nederland. Niets werkt zo verenigend als een duidelijke vijand, of het nu Microsoft of de Algemene Rekenkamer is
.
Kortom, het is een kwestie van tijd voordat we de Algemene Rekenkamer in alle oprechtheid dankbaar mogen zijn voor het redden van het open standaarden en open source beleid in Nederland.
Wat is het meest belangrijke beleidsstuk over open standaarden en open source software in de eerste helft van 2011? Prima, hou dit even in gedachten. De volgende vraag: Wat is de centrale organisatie als het gaat om de uitvoering van het open standaarden en open source beleid in Nederland? Hebbes? Goed, dan gaan we nu bij elkaar op tellen. Wat zou je van het programmabureau Nederland Open in Verbinding mogen verwachten als het gaat om het rapport van de Algemene Rekenkamer? En weet je hoeveel informatie NOiV over het rapport heeft verstrekt? Het is woensdag, 17.00 uur als ik dit publiceer en tot nog toe: niets!
Met grote regelmaat zie je aankondigingen van leuke bijeenkomsten en van min of meer relevante rapporten voorbij komen, maar als het gaat om het rapport van de Algemene Rekenkamer: helemaal niets. Geen aankondiging dat het rapport er aan komt, geen berichtje dat het door de Rekenkamer gisteren is aangeboden en al helemaal geen mening over de conclusies van het rapport zelf. Dat laatste kan ik nog begrijpen. Immers, minister Donner heeft al gereageerd, maar die reactie zou je toch op de site van het NOiV mee kunnen nemen.
De medewerkers van NOiV twitteren normaliter vrolijk mee, iets wat ik graag mag aanmoedigen. Ze gaan van de ene naar de andere bijeenkomst, stimuleren het bezoek van het komende jaarcongres en sommigen gaan zelfs in discussie. Maar kijk eens naar de twitterstromen van Karin Heijn, Walter van Holst, Dirk Joris, Joris Dirks (in de herkansing
) Nanja Appel, Stefan Wildeboer of Piet Hein Minnecre. Er is gisteren en vandaag geen letter getikt over het rapport van de Algemene Rekenkamer. Niks, noppes, nada, niente. Alsof de Chinese firewall rond het programmabureau is opgetrokken.
We zijn nu ruim 24 uur verder na de vrijgave van het rapport en nog steeds zwijgt het hele programmabureau online in alle talen. Zelfs het bestaan van het rapport wordt niet erkend. En dan denk ik met mijn cynische hoofd: “Muilkorfje?”. Maar, nee, zo moet ik niet denken. De verklaring voor de stilte rond het rapport van de Algemene Rekenkamer is vast heel logisch, heel verklaarbaar, heel begrijpelijk.
Het NOiV is er gewoon even stil van.
Update: ik heb de uitzondering gevonden die de regel bevestigd.
Update 2: Karin gaf aan wel over het rapport te hebben getwitterd, en inderdaad: de aankondiging van de vrijgave en een retweet van het artikel op Webwereld. Nauwkeurigheid boven alles
Je mag het bijna een klucht noemen. Heeft het onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) naar mogelijke kostenbesparingen door de inzet van open standaarden en open source software nu wel of niet bestaan? Was het een oprisping van een individuele ambtenaar of een zo beroerd uitgevoerd officieel onderzoek dat niemand er ook maar iets mee te maken wilde hebben? Het rapport „Sorry, we’re open. Hoe de overheid marktwerking in de ict kan verbeteren“ werd eerder deze week vrijgegeven en nog dezelfde dag weer van de website van de overheid gehaald. Dat laatste heeft in het internettijdperk erg weinig zin, want het is zo opnieuw online te plaatsen. In het begeleidend schrijven, dat nu eigenlijk niets meer begeleidt, trekt minister Donner zijn handen zo ver mogelijk van het interne stuk af: „Er is gebleken dat het om een ondeugdelijk onderzoek gaat, en niet zozeer om een privéstuk. Het stuk is niet in besluitvorming gebruikt en nooit verder gekomen dan de status van een intern beleidsvoorbereidend document.“ Zo, daar kan de auteur het mee doen. Die auteur is overigens Jan Arnoud ten Cate, tussen 2006 en december 2010 werkzaam als projectmanager voor de uniforme digitale rijkswerkplek en sinds 2008 in het bijzonder gericht op de implementatie van open standaarden en open source software. De ICT-media zijn stevig op het verhaal gesprongen (Binnenlands Bestuur, Webwereld (1), (2) en (3), zelfs de algemene pers (De Pers). SP-er Rik Janssen gooit een stevige tomaat richting de minister met: „Donner blundert bij rapport ICT-bezuinigingen“. Wat hem betreft wordt het tijd voor echte openheid van zaken. Ik hoop het voor hem, want het is niet de eerste keer dat de Tweede Kamer in dit dossier onzorgvuldig is geïnformeerd. En als het gaat om openheid over open standaarden en open source software zijn de politieke partijen zelf ook niet echt open.
Dit weekend liep ik tegen het boek ‘De Communicatieoorlog‘ van Frits Bloemendaal aan. Bloemendaal stelt in dat boek dat overheidsbeleid steeds meer communicatiebeleid is geworden, met voorlichters die inhoud en tijd van vrijgave bepalen, en dat te veel journalisten daarin meegaan. Niet iedereen kan zich vinden in zijn stelling en betoog, maar al bladerend en scannend zag ik iets te veel zaken die mij al te bekend voorkwamen. Zaken die belangrijk zijn om in de gaten te houden nu ik voor Open Trends op onderzoek uitga naar wat er nu werkelijk gaande en gepresteerd is bij de uitvoering van het Nederlandse open standaarden en open source beleid.
Dit lijkt me op zich een open deur: commerciële bedrijven reageren op de vraag uit de markt, op de vraag van hun klanten. Het is dan wel zaak dat die klanten hun vraag duidelijk formuleren en vervolgens met hun voeten (en euro’s) duidelijk maken wat ze van bedrijven verwachten. Vreemd genoeg lijkt dit mechanisme niet op te gaan als de overheid als klant functioneert in relatie tot haar ICT-dienstverleners. Dan ga je als overheid ‘in gesprek’ met de leveranciers, dan sluit je convenanten, spreek je manifesten af waarbij de leveranciers beloven over jouw wensen na te denken. Met de voeten stemmen is voor overheids-ICT niet te doen, want daarvoor is leveranciersonafhankelijkheid een vereiste. En daar zijn ‘we’ nog over in gesprek. Het onderzoek naar de commerciële sponsoring van het NOiV Jaarcongres liet echter zien dat een steviger en standvastiger houding richting de ICT-dienstverleners niet alleen mogelijk is , maar ook door henzelf wenselijk wordt geacht.
Voor een aantal bedrijven is open ICT geen vraagstuk, want die hebben hun bedrijfsmodel opgebouwd rond open standaarden en open source software. Dat zijn de bedrijven die op dit moment de grootste risico’s nemen, die innovatief aansluiten bij het afgekondigde overheidsbeleid en maximaal willen bijdragen aan een meer open overheid. En gelijktijdig een boterham verdienen natuurlijk. De opmerking van Frans Suijkerbuijk van Opensapiens dat je met een goede business case overheidsorganisaties beperkt kan overtuigen vereist dan wel extra aandacht. Het is dan bijvoorbeeld maar de vraag of en in welke mate het aangekondigde rapport van de Algemene Rekenkamer (die juist op de business case in moet gaan) zal leiden tot gewijzigd ICT-beleid bij de overheden.
Dat overheden vooral een duidelijke vraag naar open ICT in de markt moeten zetten, blijkt uit de opmerkingen van Jan Willem van Eck van Esri. Esri gaat meer open werken, omdat de klanten daarom vragen, omdat open standaarden in hun markten van belang worden geacht. Door op die vraag in te spelen willen zij meer kans maken bij aanbestedingen. En daar wringt natuurlijk ook de schoen. ICT-jurist Mathieu Paapst heeft al aangetoond dat in bijna de helft van de Europese aanbestedingen in Nederland nog steeds een niet toegestane voorkeur voor gesloten leveranciers en gesloten software wordt uitgesproken.
Kortom, de klant (de overheid dus) geeft een onduidelijk signaal aan de markt en geeft daarmee zelf maximale ruimte aan de bestaande ICT-leveranciers om vooral zo weinig mogelijk te bewegen. In mijn optiek moet je als klant niet gaan ‘polderen’ met de bedrijven waar je diensten van wilt afnemen. Ik heb er al meerdere malen voor gepleit dat de overheid, of liever gezegd de hele publieke sector, het gebruik van open standaarden in haar gehele ICT verplicht moet stellen en moet afdwingen. Dat heeft niks met ideologie te maken, maar alles met het realiseren van een duurzame, open, transparante, leveranciersonafhankelijke en democratisch functionerende overheid. En ja, daar mag je best de tijd voor nemen. En ja, daar mogen bedrijven die in opdracht van de overheid zwaar hebben geïnvesteerd best een vergoeding voor krijgen (al moet dat natuurlijk wel even afgezet worden tegen de hoeveelheid belastingeuro’s die in onderhoud van brakke systemen is gaan zitten). Maar de boodschap moet helder, krachtig en eenduidig zijn: voor datum t werken alle overheidsapplicaties met open standaarden. Indien niet, dan stappen we over op andere leveranciers en bouwen we in hoog tempo de relatie met het tegenwerkende bedrijf af.
Geloof me, ICT~Office gaat moord en brand schreeuwen, gaat boe-roepen over marktverstoring. In het koor ‘Ach en wee’ zullen we dan de Centric’s en Getronic’s vinden die hardop voorlezen uit nog te verschijnen onafhankelijke onderzoeksrapporten die vertellen hoe fijn zij zijn. Gewoon negeren, is mijn advies, en richt je op die leveranciers die open ICT in hun genen hebben of die snappen dat je er als bedrijf in de eerste plaats bent om aan de vraag van de klant tegemoet te komen.
Met het ontraden van de motie van de Werkgroep ICT bewijst het partijbestuur GroenLinks geen dienst. Integendeel, het laat daarmee een kans liggen om het interne ICT beleid op een meer duurzaam en professioneel fundament te grondvesten. Door de motie terzijde te schuiven als ideologisch en niet professioneel laat het partijbestuur ook zien niet te hebben begrepen wat werd (wordt, want het congres heeft 5 februari het laatste woord) gevraagd. De werkgroep vroeg namelijk niet een voorkeur voor open source software, maar een voorkeur voor leveranciers die echt verstand hebben van open standaarden en open source software. En die leveranciers snappen maar al te goed dat je soms, regelmatig (voorlopig) toch terug moet grijpen op gesloten oplossingen, zonder daarbij het einddoel, een open ICT-omgeving, uit het oog te verliezen. Als organisatie geen gebruik maken van dergelijke leveranciers toont juist een gebrek aan professionaliteit en zorgt dat een gezonde afweging van open oplossingen achterwege blijft. Het probleem bij GroenLinks zit echter veel dieper zoals het tweede deel van het advies van het partijbestuur laat zien.
door Jan Stedehouder
Het partijbestuur acht het onnodig haar bestuurders te scholen in specifieke software systemen. Nu sprak de motie over ‘partijkader’ en mijns inziens is het spreken over ‘bestuurders’ dan wel een erg grote versmalling. Maar het laat zien hoe weinig inzicht er bestaat over het belang van ICT vraagstukken voor het moderne bestuur. In de ogen van het partijbestuur lijkt ICT een technisch implementatievraagstuk. Alleen al de enorme problemen met lopende ICT projecten bij de overheden en de omvangrijke bedragen die in bodemloze putten verdwijnen zouden al voldoende moeten zijn om deze gedachte uit de weg te ruimen. De inzet van ICT bij en door de overheid raakt fundamentele burgerrechten, heeft invloed op de openbaarheid en transparantie van het bestuur en maakt het uitvoeren van overheidstaken overeenkomstig democratische besluitvorming mogelijk of onmogelijk. Open ICT is hiervoor een belangrijke waarborg.
De motie sprak niet over het geven van Ubuntu trainingen aan het partijkader, maar over een betere scholing van het partijkader zodat zij beter begrijpen welke rol ICT heeft in de samenleving en hoe dit van invloed moet zijn op de stellingname als bestuurders en volksvertegenwoordigers. Dat het partijbestuur dit niet heeft begrepen toont aan hoe noodzakelijk zo’n training is.
Transparantie: ik ben niet verbonden met GroenLinks noch enige andere politieke partij.
Jan is een zure man. Het kritisch volgen van het Nederlandse open standaarden en open source beleid valt niet altijd in goede aarde. Er is zoveel behoefte, verlangen, naar positieve verhalen, dat iedere kritische noot vooral met liefde en zachtheid, dan wel met een beetje humor verpakt moet worden. ‘Jan, ik lees je columns graag, maar….’. Er gebeurt ook zoveel goeds, er is al zoveel bereikt, et cetera, et cetera. Wie wil weten hoe goed het allemaal gaat moet de NOiV-website maar lezen. Daar zul je geen wanklank vinden. Als bezoeker zul je over hogere zoekvaardigheden moeten beschikken om een kritische noot te ontdekken. Dat geeft niet. Ik zou graag een andere invulling van de site zien, maar het is niet mijn site. Maar het is wel noodzakelijk dit aan te vullen met scherpe, onafhankelijke en kritische berichtgeving over wat er werkelijk gaande is rond de uitvoering van het actieplan Nederland Open in Verbinding. Vooral als blijkt dat de verantwoordelijke bewindslieden het met hun informatieverschaffing niet zo nauw nemen.
Webwereld bericht vandaag over een onderzoek dat volgens de destijds verantwoordelijke staatssecretaris Ank Bijleveld werd verricht en wat voor haar vorig jaar een reden was om niet enthousiast te zijn over het onderzoek dat de Algemene Rekenkamer op verzoek van de Tweede Kamer wilde laten verrichten. Gisteren schreef ik voor Open Trends een artikel over de beperkte reikwijdte van het Rekenkameronderzoek, omdat in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken gebleken was dat het bevragen van de decentrale overheden toch wel erg ingewikkeld was. En dan zit de Wob Open Source van Brenno de Winter, waarin alle decentrale overheden werd gevraagd inzage te geven in hun open standaarden en open source beleid (en de reacties daarop), nog vers in het geheugen. Het beeld dat opduikt is dat de staatssecretaris een onafhankelijk onderzoek door de Tweede Kamer tegen heeft willen houden door te schermen met een eigen lopend onderzoek, dat achteraf nooit heeft bestaan en dat het ministerie vervolgens heeft gezorgd dat het Rekenkameronderzoek werd gekortwiekt. Missie geslaagd!
In mijn onderzoek naar de (meer)waarde van de metingen van het programmabureau Nederland Open in Verbinding moest ik de conclusie al trekken dat de verantwoordelijke staatssecretarissen bij twee gelegenheden de Tweede Kamer op zijn minst onzorgvuldig hadden geïnformeerd. Het schermen met het eigen BZK-onderzoek is dan de derde keer. Voor mij betekent het dat ik iedere vorm van communicatie rond de voortgang van het open standaarden en open source beleid met het grootst mogelijke wantrouwen blijf bezien. Het is in en in triest dat juist op een beleidsterrein wat gefundeerd is op beginselen als open en vrij delen van kennis en kunde keer op keer mist en onduidelijkheid wordt opgeworpen. Hoe lang de Tweede Kamer dit nog blijft pikken weet ik niet.
Nederland had/heeft een van de meest ambitieuze plannen op het gebied van open standaarden en open source software, maar ‘we’ zijn ook hard bezig om het zelf om zeep te helpen. Recentelijk werd mij de vraag gesteld of we na afloop van het actieplan nog wel een open source beweging in Nederland hebben. Als het gaat om een beweging met politieke en bestuurlijke invloed is het zeker een vraag die aandacht behoeft. Misschien kan het programmabureau NOiV zich over het hart strijken en op het komende jaarcongres (dat toch als thema ‘Open Einder’ heeft) een aparte sessie in te richten rond het onderwerp: ‘Politieke, bestuurlijke, beleidsmatige en procesmatige tekortkomingen bij de uitvoering van het actieplan, en wat is er nog te redden’. Of, wat korter en internationaler gezegd: ‘Get real, aim for succes, or die trying!’.
Voor Open Trends loopt nu een onderzoekje naar de sponsoring van het NOiV Jaarcongres 2011. De commerciële sponsors krijgen, in ruil voor hun sponsorbijdrage, de gelegenheid hun inhoudelijke verhaal te vertellen aan de bezoekers van het jaarcongres. Nu wordt het programmabureau gefinancierd met publieke middelen , zijn mede-overheden de belangrijkste doelgroep en staat het vasthouden van de beweging naar open overheid centraal. Is het dan wel aanvaardbaar dat commerciële partijen tegen betaling zo’n plaats in het programma krijgen? Te meer daar bij een quick scan is gebleken dat zes sponsoren het zo bejubelde leveranciersmanifest open standaarden niet eens ondertekend hebben. En zich dus niet hebben gecommitteerd aan het gebruik van open standaarden. Meerdere ondertekenaars hebben überhaupt nog niet duidelijk gemaakt hoe zij het door hun ondertekende manifest handen en voeten geven in de eigen organisaties. Dat sommigen zich ook niet echt willen vastleggen blijkt uit het verslag van de bestuurstafel van 13 september 2010 (PDF). In afwachting van de resultaten van het onderzoekje is het interessant hier even bij stil te staan.
